Oorlog tussen de sterren I
Deel 1: President Juarez
President Juarez van de Alliantie stond op vanachter zijn desk en liet de stapels administratieve rommel voor wat ze waren. ‘Genoeg voor vandaag’, dacht hij verveeld. “Virgil! Het is tijd voor mijn dagelijkse wandeling door het park.” riep hij zijn assistent toe. “En de rapporten over de Marsiaanse onderzoekscom…” repliceerde deze.
“Nee. Ik kan geen rapporten meer zien! We gaan wandelen.”
“J…Ja meneer, maar …”
Zonder zijn assistent verder de tijd te laten om te reageren liep hij de deur door, zijn werkkamer uit. Waar zijn twee bodyguards, die zoals altijd keurig buiten stonden te wachten, zich bij hem voegden. Hij nam de lift naar de 118e verdieping. Daarna liep hij via een brug naar het dak van de aanpalende toren. Het dak van de ‘Lishma-building’ zoals hij ook wel eens werd genoemd, bestond uit een overdekt park met vele exotische bloemen en planten. Dit park was zijn persoonlijke favoriet. Hij kwam hier minstens eens per dag om de geurige aroma’s van lang verdwenen orchideeën op te snuiven.
Maar vandaag had hij het gevoel dat dit wel eens de laatste keer zou kunnen zijn… Hij begreep niet waar dit gevoel vandaan kwam, en hij deed het af als onbelangrijk. Hij was hier veilig, hij had zijn twee getrainde bodyguards toch bij, wat kon er dan gebeuren? Hij gaf het door aan zijn bodyguards. Ze kamden het hele park uit: geen gevaar te bekennen.
Plotseling zag hij in zijn linker ooghoek iets metalig glimmen. Hij draaide zich om … en was dood. Zijn bodyguards hadden dit onmiddellijk gezien en gingen er achteraan, terwijl zijn assistent zich over hem heen boog. Aan het einde van het park onderschepten ze het ding. Het was een op afstand bestuurde killer-droïde. De dader kon dus overal zitten… Ze vernielden het met twee welgemikte schoten uit hun lasers en renden terug naar de plaats van onheil.
“Hij is dood.” zei Thomas Tsjolkovsky, het hoofd van de medische dienst in de Europese sector.
“Zo dood als hij maar zijn kan.”
Vice-president Sivaa vroeg zich af hoe dit kon gebeuren. Juarez was aan het wandelen geweest in één van de meest beveiligde parken ter wereld met zijn twee uitstekende bodyguards, en toch…
”Er is dus geen reconstructie meer mogelijk, veronderstel ik.”
“Neen. Het projectiel is langs voor dwars door beide hersenkwabben heengegaan. De dader moet ruim de tijd gehad hebben om zo nauwkeurig te kunnen mikken.”
“Dit had niet mogen gebeuren, niet in deze moeilijke tijden. Ik roep onmiddellijk een crisisvergadering bijeen.”
“Sorry, maar ik kon echt niets meer voor hem doen.”
“Ik ben ervan overtuigd dat u alles hebt gedaan wat binnen uw mogelijkheden was. U treft geen verwijt, meneer Tsjolkovsky. En bedankt.”
“Eh … graag gedaan, vice-president.”
Hierop verliet vice-president Sivaa de medische afdeling van de regeringsgebouwen. Hij had een hoop werk te doen.
Ondertussen, ergens ver weg in de drukte van de stad, rapporteerde een geheime agent het welslagen van zijn missie aan zijn superieuren. Vervolgens begaf hij zich naar de ruimtehaven van Belgan, waar hij onder een pseudoniem een vlucht geboekt had. Minder dan 3 uur na de moord op president Juarez van de Alliantie, had de moordenaar de planeet al verlaten.
Het crisisberaad werd gehouden in de presidentiële vergaderzaal. Rondom wemelde het van de lijfwachten en speciale commando’s om de veiligheid van de regeringsleiders te garanderen. Niets of niemand mocht binnen tien verdiepingen boven of onder de zaal komen. De regeringsleiders waren bij elkaar gekomen naar aanleiding van de moord op president Juarez. Binnen vlogen de verdenkingen en beschuldigingen over en weer. Vice-president Sivaa probeerde voor de zoveelste keer om ze tot bedaren te brengen.
“Mensen, mensen. Kalm aan alstublieft. Ik ben ervan overtuigd dat niemand binnen deze muren schuldig is aan deze moord.”
“Wie verdenkt u dan wel?” riep één van de Marsiaanse parlementsleden uit.
“Persoonlijk verdenk ik de Confederatie.”
“Dat is inderdaad een goede mogelijkheid. We leven al zeer lang onder hevige spanning met de Confederatie. Ze schenden onze handelswetten voortdurend.”
“Ze provoceren ons al jaren. We hadden dit moeten zien aankomen.” zei de Venusiaanse Gina Suoi. “De op afstand bestuurde droïde die zijn bodyguards neergeschoten hebben was trouwens van Confederatief ontwerp!”
“En het Anurati Keizerrijk?”
“Die zijn te laf om zoiets te wagen. En wat winnen ze erbij, er zijn al decennia geen conflicten meer geweest met het Keizerrijk?”
En zo ging het nog uren door. Uiteindelijk bereikten ze toch eensgezindheid. De Confederatie was de dader. Want alles wat de Alliantie hinderde was meegenomen voor de Confederatie. Dus werden er plannen gemaakt om zich eindelijk te wreken. De jaren van tolerantie waren voorbij. De maat was vol. Ze zouden de Confederatie tonen dat er niet met hen te spotten viel!
De eerstvolgende dagen kwamen er officiële rouwbetuigingen binnen van zowel de Confederatie als het Anurati Keizerrijk. De Confederatie betuigde hun steun en stuurden zelfs tienduizenden geurige Zi’Dek bloemen voor de begrafenis. De Confederatie werd echter volledig verrast door de houding van de Alliantie: ze kregen de bloemen gewoon teruggestuurd. En het Pentagon dat aanwezig wilde zijn op de begrafenis mocht deze eenvoudigweg niet bijwonen. Alle handelsschepen naar de Alliantie werden tegengehouden, terwijl degenen die erin waren er niet meer uit mochten.
Dit irriteerde de Confederatie mateloos. Hoe kwam het dat de Alliantie ineens alle banden doorsneed? De onderlinge verstandhouding was, desondanks vele spanningen, al sinds het ontstaan van de Alliantie stabiel. Het scheen iets te maken te hebben met de moord op de president… Geheime agenten zeiden dat de Alliantie de Confederatie ervan beschuldigde de moord te hebben gepleegd, of toch zeker er de opdracht toe had gegeven. En dat dat de reden voor de plotselinge haat was. Als reactie dreigde de Confederatie ermee om de ambassadeur van de Alliantie terug te sturen, al hun handelsschepen buiten te houden en elke vorm van handel met de Alliantie te verbieden. Toen de Alliantie niet reageerde, en zelfs uit eigen beweging haar ambassadeur terughaalde en haar handelaars de opdracht gaf om de Confederatie te mijden, vreesde het Pentagon voor oorlog . Ze zette alles op alles om tot een diplomatieke oplossing te komen…
Deel 2: Militair vertoon
De reden dat de grote Confederatie de Alliantie toch vreesde, lag op het militaire vlak. Het leger van de Confederatie is natuurlijk veel groter, maar het is ook verspreid over de enorme gebieden van hun rijk. De Alliantie daarentegen, heeft een voor zijn omvang zeer grote oorlogsvloot. Hun gebied mag dan misschien wel klein zijn, maar hun militaire slagkracht is dat zeker niet. Het enige nadeel aan de vloot van de Alliantie is dat ze niet goed uitgerust is voor grote afstanden, en die van de Confederatie dan weer wel. En …
Generaal John Striker stond op de brug van zijn vlaggeschip, de ‘IJzeren Vuist’, vervuld van een voorzichtige ongeduldigheid. Eindelijk actie! Eindelijk gingen ze die rotzakken van de Confederatie hun verdiende loon geven! Eindelijk …
“Generaal?”
“Hmm, euh … ja wat is er kapitein?”
“Een persoonlijk bericht van het opperbevel, meneer.”
“Laat eens zien.”
Kapitein Gallager overhandigde het verzegelde document aan de generaal. Die opende de enveloppe, vouwde het papier open, en trok wit weg …
“Gaat het generaal?” Kapitein Gallager’s bezorgdheid voor zijn overste was direct gewekt, zoals het hoort voor een uitmuntende officier. Hij was niet voor niets benoemd tot bevelhebber van zijn vlaggeschip!
“Ja, ja, het gaat.” antwoordde hij, “Ik ben in mijn kajuit als je me nodig hebt.”
Striker verdween door de deur en liet Gallager achter met zijn bedenkingen over de inhoud van het bericht. ‘Iets dat de generaal wit liet wegtrekken, kon niet realistisch zijn.’ oordeelde hij.
Twintig minuten later kwam Striker de brug weer op, met een ernstige blik op zijn gezicht.
Gallager durfde er niet naar te vragen. Hij wist wel dat er iets op til was, maar aan de generaal zijn gezicht te zien was het waarschijnlijk beter dat hij dat nog niet wist.
Het brugvenster toonde een indrukwekkend beeld van de zich langzaam verzamelende vloot. De meest angstaanjagende schepen waren de Venusiaanse oorlogsvalken die eruit zagen als een soort aërodynamische speer met enorme uitgestoken klauwen, klaar om de vijand aan stukken te scheuren. De klauwen, bevestigd aan de twee lange vleugels, waren krachtige ionenkanonnen die een schip volledig lam konden leggen, wachtend tot de gevangenneming. Hij keek er eens naar en huiverde alleen al om het gedacht om door een dergelijk schip nagejaagd te worden. Hij zag ook een groep logge Aardse sterrenkruisers. Die waren misschien log en traag, maar deden dat tekort in het niets verdwijnen ten opzichte van hun vuurkracht. Er vlogen ook nog Marsiaanse moederschepen die grote aantallen kleine jagers meevoerden, supersnelle nachtvogels die elk ander schip van de Alliantie ver overtroffen in snelheid en wendbaarheid, en nog vele andere types. Tussen al deze schepen krioelden duizenden pendelscheepjes die bemanningen naar hun schepen brachten of materiaal en ammunitie aanvoerden.
“Kapitein, wat is de vlootstatus?”
Hij keek op van het tafereel en herstelde zich.
“Fascinerend, niet?” zei de generaal, die blijkbaar gemerkt had hoe geïnteresseerd hij naar de scheepjes had gekeken.
“Eh, ja, zeker. En … ‘O’ ja, generaal? De laatste Marsiaanse schepen voegen zich nu bij ons.”
“Uitstekend. Dan moeten we nu wachten tot de regering haar politieke spelletjes heeft afgrond om te kunnen doen waarvoor we zijn opgeleid.”
De nieuwe president van de Alliantie, Sonny Sivaa, twijfelde. Hij twijfelde of hij er wel goed aan had gedaan om de Confederatie zo openlijk uit te dagen. Had hij het beter in het geniep gedaan? Hoe zal de Confederatie hierop reageren? Zoveel vragen en zo weinig antwoorden. Hij zou er nog gek van worden. De toekomst zal het moeten uitwijzen.
Hij leidde de vergadering in met een gepaste speech.
Een speech over verraad en strategie.
Toen hij klaar was, voelde hij zich als herboren.
Wat een kleine speech al niet kan doen.
Hij ging over tot hét grote punt van deze bijeenkomst: de vloot.
“Wat is de huidige status van de vloot, Ramirez?”
“De vloot is klaar, en wacht op uw orders, meneer president.”
Ramirez was een zeer competente man, nogal dik en lichtjes kalend.
Hij was opperbevelhebber van de ruimtestrijdkrachten.
“Alleen vind ik dat we wel een haalbaar doel konden kiezen. Dit stelsel is veel te belangrijk, daar gaat zeker een enorme verdediging zijn.”
“Dat zouden we natuurlijk kunnen oplossen met antimateriebommen.” opperde de strijdlustige, maar niet altijd even verstandige Tom Ryan, voorzitter van de mijnbouwondernemingen op Mercurius.
“Neen. Daar doe ik niet aan mee!” riep senator Suoi verbolgen uit, “Dat is onmenselijk! Een hele planeet in de as leggen, alleen maar om een tijdelijk geschil te beslechten. Ronduit belachelijk!”
“Ik vat dit toch zwaarder op dan een tijdelijk geschil, senator” reageerde Ryan, deels om zijn eerdere uitbarsting alsnog te rechtvaardigen.
“Ryan, ze wil gewoon zeggen dat een hele planeet beschadigen totaal zinloos is.” verduidelijkte de president, “Alleen een wanhopig persoon zou zoiets doen.” En het zou ons ook nooit vergeven worden. En terecht!”
Nadat de gemoederen weer wat bedaard waren, drong Ramirez er op aan om een beslissing te nemen.
“Het wordt hoog tijd dat er een beslissing genomen wordt. Mijn troepen zijn al een halve dag klaar met al hun voorbereidingen. Ze wachten nu in de ruimte vol ongeduld op wat er hier besloten wordt. Ik zou ze graag nog voor morgenvroeg op weg sturen.”
“Ik ben het met hem eens, over en weer gepraat lost niets op. Integendeel.”
“laten we stemmen.” stelde iemand voor, “Wie vindt dat we een andere planeet moeten aanvallen?”
Na vijf minuten maakte de president het resultaat van de stemming bekend: “12 voor, 33 tegen en 5 onthoudingen. Met andere woorden: we veranderen onze plannen niet.”
“Huh, het is in elk geval de laatste plaats waar ze ons zullen verwachten.”
En zo werd ook deze overigens nutteloze vergadering afgesloten.
Op de brug van de IJzeren Vuist stonden generaal Striker en kapitein Gallager afwezig voor zich uit te staren, toen er een dringend bericht binnenkwam via holovid. Striker spoedde zich naar de holovid kamer en ging in de comfortabele zetel zitten. Ramirez’ gestalte verscheen levensgroot voor hem in de kamer. Zijn gezicht straalde een vreugde uit die hevig in contrast stond met zijn afgematte, verveelde houding als gevolg van het lange vergaderen.
“Ah, Striker, ik heb eindelijk de toelating gekregen om de blijde boodschap over te brengen. Maak de vloot klaar om over een half uur te vertrekken! Doelwit niet gewijzigd.”
“Meneer. Wij zijn al dertien uur klaar om te vertrekken.”
“Weet ik, weet ik.”
“We zullen ze laten zien wat er gebeurt als men de Alliantie uitdaagt!
Vaarwel Ramirez!”
“Veel geluk en hopelijk zien we elkaar weer, generaal Striker.”
Deel 3: Het afscheid
“Generaal John Striker aan de vloot: geniet ervan jongens, dit zou voor vele onder ons wel eens de laatste keer kunnen zijn dat we de Aarde in al zijn glorie mogen aanschouwen. Koester deze laatste beelden van moeder Aarde en onthoudt waarvoor we vechten. Wij, kameraden, wij hebben de eer om te sterven in deze strijd voor rechtvaardigheid. Voor de Aarde! Voor Mars! Voor Mercurius! Voor Venus! Kortom voor de Alliantie!”
“Kameraden, in de startblokken. Des te eerder we dit opgelost hebben, des te eerder zijn we hier terug. Start de motoren!”
Opperbevelhebber der ruimtestrijdkrachten, Ramirez, stond onder een observatiekoepel naar de nachtelijke hemel te kijken. Ineens gloeiden er duizenden gele fakkels op die bijna deden voorkomen alsof het dag was. Een tijdelijke zon was aan de hemel verschenen. Elke oplichtende fakkel stelde een vertrekkend sterrenschip voor dat de omloopbaan verliet. Tranen kwamen in zijn ogen, zoveel schepen die met elk hun eigen bemanning op weg gingen om de misdaden van de Confederatie te wreken.
De schepen moesten zich eerst ver genoeg verwijderen van grote planeetmassa’s en sterren, om hun hyperruimtesprong te kunnen maken. Als men een hyperruimtesprong zou uitvoeren te dicht in de buurt van een grote massa, dan was de kans meer dan reëel dat men mee in zijn zwaartekrachtput zou worden gezogen. Ook tijdens de sprong was het gevaar niet geweken. De route kan niet dwars door een ster of planeet gaan. Dit zou de ruimtetijd openscheuren en tot een supernova of de vernietiging van de planeet leiden. Het schip zou voor eeuwig in de hyperruimte blijven vastzitten. Het zou gewoon verdwijnen.
Generaal Striker had persoonlijk de coördinaten in de navicomputer geprogrammeerd. Vervolgens had hij alle schepen de opdracht gegeven hun navicomputer aan die van hun groepsleiders te linken, en de groepsleiders aan de IJzeren Vuist. Op deze manier had elk schip de juiste coördinaten en het zorgde voor een synchrone hyperruimtesprong. Dit laatste meer als prestige dan als noodzaak. Elke normale vijand zou onder de indruk zijn wanneer hij een enorme vloot in perfect synchrone gevechtsformatie de normale ruimte zag binnenduiken. Dit had natuurlijk tot gevolg dat de hele vloot zich moest aanpassen aan de traagste schepen.
Nog twee minuten voor de sprong.
De schepen rondden hun laatste controles af en bereidden zich voor.
Nog één minuut voor de sprong.
De schepen controleerden een laatste keer hun te volgen route.
Nog 30 seconden.
Kapitein Gallager stond nerveus met zijn vingers aan zijn uniform te frunniken.
“Is er iets?” vroeg de generaal, “Een kapitein die schrik heeft om een hyperruimtesprong te maken zie je niet elke dag”
“Er kan altijd iets mislopen, er verdwijnen genoeg schepen in de hyperruimte.”
Nog 10 seconden.
“Een collega van mij heeft dat voor gehad. Ik heb het schip zien verdwijnen.”
Nog 5 seconden.
Het ene moment bood het brugvenster nog uitzicht aan een schitterende sterrenhemel, het andere moment was daar de door blauwverschuiving vertrokken dimensieloze leegte van de hyperruimte voor in de plaats gekomen. Bij elke nieuwe sprong voelde Gallager zich opgelucht zodra hij dit beeld voor zich zag. Eigenlijk hield hij wel van reizen door de hyperruimte, het waren alleen de overgangen die hij haatte.
Kort nadat de oorlogsverklaring van de Alliantie was binnengekomen, was het Pentagon al samengekomen om deze noodsituatie onder handen te nemen. Het bericht was een uur eerder binnengekomen. Maar niet via de normale diplomatieke kanalen, het was gewoon op alle lijnen tegelijk uitgezonden, ook op de publieke. Dat laatste, werd verondersteld, was gedaan om extra paniek onder de bevolking te veroorzaken.
Het Pentagon bestond uit vijf individuen, elk van een andere soort. De huidige voorzitster was een mens, Patricia Vaskayza, van de gigantische planeet Muuria. Verder bestond de raad nog uit een Thorgar: Kev Subar, een Nalin: Shu Vaarg, een Scion: Pthaca Vinh en een Rajani: Sisay May. Kev Subar kwam van de wereld Arcæ, met een voor de andere soorten toxische atmosfeer. Hij droeg altijd een soort masker, omdat de zuurstofrijke lucht die de andere soorten inademen, zeer giftig voor hem is. Shu Vaarg kwam van een waterwereld, Najinaz, die in de loop der eeuwen volledig volgebouwd was zonder de aandacht voor het natuurlijke leefmilieu te verliezen. Een octopusachtig waterwezen dat zowel lucht als water kon ademen. Pthaca Vinh daarentegen, kwam van de woestijnwereld Yzzerrian. Ze omhullen zich volledig met doeken tegen de zandstormen en de hitte van hun twee zonnen en laten alleen hun ogen vrij. Dit creëerde een mysterie rond hen: hoe zouden ze er onder de doeken uitzien. Niemand wist het… Sasay Mai ten slotte, zij kwam van de in een soort eeuwige nacht gehulde wereld, Rajat. De planeet heeft zulk een dichte atmosfeer dat alles op het oppervlak in een donkerpaars licht baadt. Deze soort had dan ook grote ogen en ver ontwikkelde, inwendige oren. Samen vertegenwoordigden ze het hoogste gezag in de Confederatie. Vandaag waren ze bijeen gekomen op Alpha Centauri, de hoofdplaneet en het absolute machtscentrum van de Confederatie.
“We hadden dit moeten zien aankomen!” riep Vaskayza woedend, “Alle diplomatiek contact verbreken, hun ambassadeur terughalen, niet reageren op onze pogingen tot overleg,…”
“En dan is er natuurlijk de vraag: waar vallen ze aan? En wanneer? Ze hebben ondertussen al zes dagen de tijd gehad om hun vloot te verzamelen en een doel te kiezen. Ze zouden elk moment al ergens kunnen aanvallen.” zei Kev Subar.
“Waar zouden ze eerst aanvallen? Alpha Centauri, Othega, of misschien Talesia?”
“ Dat durven ze niet!“ pareerde Vaarg, “Daar is teveel tegenstand, ze zullen eerder een aantal minder belangrijke werelden eerst aanvallen als bruggenhoofd, voor Talesia ofzo.“
“Breng in elk geval al onze troepen over heel de Confederatie in rood alarm. En haal een paar schepen naar hier, want als ze hier aanvallen… Er is hier op het moment te weinig verdediging.” zei de voorzitster.
“Hoeveel schepen zijn er hier nog nodig?” vroeg Vinh.
“Een of twee eskaders extra zou wel voldoende moeten zijn, denk ik.” antwoordde Vaskayza.
“En Othega? Zijn er daar genoeg?”
“Meer dan genoeg. De maanbasis beschermt al heel het stelsel, zelfs zonder extra schepen. En over de Hypergate moeten we ons, daar althans, geen zorgen over maken, die wordt zwaar verdedigd. Hier daarentegen … Hier is ze nogal slecht verdedigd.” zei Sisay Mai.
“Dat kunnen die twee eskaders dan voor hun rekening nemen.” stelde Vinh voor.
“En dan Muuria? We moeten daar ook schepen naartoe sturen. “
“De publieke opinie zou zich tegen ons keren als we dat niet deden. Een planeet met 5 642 miljard zielen onverdedigd laten in deze tijden, dan zou het volk wel eens in opstand kunnen komen!” redeneerde Subar.
“We zullen er ook twee eskaders vanuit Talesia naartoe sturen. Onze militaire basis kan er wel twee missen.” zei Particia Vaskayza, “Maar ons grote probleem is dat we niet weten hoeveel tijd we nog hebben vooraleer ze hun doel aanvallen. En welk doel dat het zal zijn …”